LSR-Kennisbank

Sterk in Medezeggenschap

De ontwikkelingen binnen de wetgeving laten zien dat de rechten van cliënten van zorginstellingen als steeds vanzelfsprekender gezien wordt. Veertig jaar geleden speelden dergelijke rechten nauwelijks een rol in de gezondheidszorg. Men was zich er niet zo van bewust dat in de relatie patiënt – zorgverlener, de positie van de patiënt of cliënt ongelijkwaardig was. Vanaf eind jaren zestig werd dit steeds meer onderwerp van maatschappelijk debat. Een voorbeeld hiervan zijn de discussies over de ‘antipsychiatrie’. In de jaren zeventig en tachtig is vervolgens veel ‘compensatie’-wetgeving voorbereid die in de jaren negentig is ingevoerd. Doel van deze wetgeving was het bevorderen van de rechtspositie van cliënten. Medezeggenschap als cliëntenrecht vindt zijn oorsprong in die periode. De ondernemingsraad heeft model gestaan voor de cliëntenraad: de ondernemingsraad als vertegenwoordiger van de belangen van de werknemers en de cliëntenraad voor die van cliënten.

De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) trad in 1996 in werking en komt voort uit het wetsvoorstel ‘democratisch functioneren zorginstellingen’ uit 1988. Dit wetsvoorstel onderging in de loop  der jaren vele wijzigingen en werd gesplitst in twee afzonderlijke wetsvoorstellen. Namelijk de medezeggenschap van cliënten aan de ene kant en het klachtrecht van cliënten aan de andere kant. Pas na de splitsing kreeg het wetsvoorstel pas de steun van het parlement. Zorginstellingen kregen steeds meer aandacht voor afstemming van de zorg op de wensen van hun cliënten. Het bleek echter toch gewenst om een meer directe en wettelijke mogelijkheid voor cliënten te scheppen om voor hun belangen op te komen. De overheid wil met de Wmcz waarborgen dat in iedere collectief gefinancierde zorginstelling een geïnstitutionaliseerd orgaan van personen de belangen van cliënten behartigt.

Voor 1996 hadden verschillende zorginstellingen zelf al regelingen getroffen om de positie van cliënten te versterken. Sommige instellingen hadden al een cliëntenraad. De overheid vond het de verantwoordelijkheid van iedere zorginstelling om rekening te houden met de wensen en behoeften van haar cliënten. Bij de vormgeving van de wet is dan ook besloten deze eigen verantwoordelijkheid te accentueren. De wet verplicht zorginstellingen om een cliëntenraad in te stellen en hier regelingen voor te treffen, maar laat de verdere invulling aan de zorginstellingen over.

De Wmcz werd de wettelijke basis voor medezeggenschap van cliënten. Het bewerkstelligde dat instellingen, die nog geen regeling voor medezeggenschap hadden, regelingen hiervoor moesten treffen. Ook kregen hierdoor cliënten zelf het recht om een cliëntenraad af te dwingen bij hun zorginstelling. De overheid gaf als kanttekening bij de Wmcz dat daadwerkelijke medezeggenschap niet alléén door wetgeving kan worden bereikt, maar ook sterk afhankelijk is van het inzicht of de overtuiging van alle betrokkenen. In de praktijk werdt verschillend tegen medezeggenschap aangekeken. Sommige organisaties hadden voor de inwerkingtreding van de Wmcz zelf al een cliëntenraad opgericht. Andere bestuurders voelen zich, door de Wmcz, verplicht een cliëntenraad in te stellen, maar stonden er niet direct voor open. De laatste jaren is echter veel bereikt. Veel cliëntenraden hebben inmiddels een stevige positie binnen hun organisatie en dragen bij aan medezeggenschap van cliënten.